Jump to: navigation, search

Het Utrechtse archief van Anton Gerard van Hamel

Het Utrechtse archief van Anton Gerard van Hamel

door ARWEN VAN ZANTEN en BART JASKI
Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Kelten 40 (november 2008): 5-7 en is tevens te downloaden als PDF-document. Online: November 2013. De bijbehorende foto’s worden beneden in hun geheel gereproduceerd.

In Kelten 39 (15-16) werd bericht over de archieven van Anton Gerard van Hamel, professor Oudgermanistiek en Keltisch aan de Universiteit van Utrecht van 1923 tot 1945. Een klein gedeelte hiervan bevindt zich in de faculteitsarchieven van de Universiteit van Utrecht, welke op termijn naar de Universiteitsbibliotheek zal worden overgebracht. Op verzoek van Bart Jaski, conservator handschriften van de Universiteitsbibliotheek Utrecht, werd het archief geïnventariseerd door Arwen van Zanten, die als vrijwilligster bij de UB werkt. Zij heeft Engels en Keltisch gestudeerd, en is zodoende bekend met beide disciplines die Van Hamel onder zijn hoede had. Hieronder volgt hun verslag.


Twee enveloppen waarin zich losse bladen bevonden.

De aantekeningen van Van Hamel vormen een belangrijke bron voor de geschiedenis van de opleidingen in de vooroorlogse periode, alsmede voor een indruk van de persoon Van Hamel zelf. Het archief van de Universiteit Utrecht was maar al te blij dat de inventarisatie zou worden uitgevoerd door iemand die wegwijs is in de voor leken al snel onbegrijpelijke wereld van het Oudiers, Middelwelsh, Oudnoords en Oudengels. Het is geen omvangrijk geheel, slechts vier archiefdozen (nu geïndexeerd met A-C) met Keltisch, Oudgermaans en ook persoonlijk en ander materiaal. De stukken waren door Van Hamel zelf al ruwweg geordend in thema-stapeltjes. Van een goede conservering was geen sprake. Een aantal schriften kleefden aan elkaar (blijkbaar waren ze opzettelijk aan elkaar vast gelijmd, inhoudelijk stemden ze met elkaar overeen), en het meeste materiaal bevond zich nog in de oude enveloppen waarin Van Hamel ze had achtergelaten. Het was dus noodzakelijk alle stukken zowel te ordenen als zuurvrij te verpakken. Hierbij was het ordenen niet altijd eenvoudig, omdat Van Hamel veel noteerde op losse blaadjes en niet altijd systematisch te werk ging.

Twee schriften uit het archief van Van Hamel.

Een groot deel van het materiaal bestaat uit losse blaadjes met een korte notitie van een idee, referentie, of beide. Bijvoorbeeld: ‘Dafydd ap Gwilym, de oudste tekst v. 8 oden: T. Lewis, Aberystwyth Studies 1936, zie Et. C. 2, 373 ev’ (B1: 41) of ‘Tooverslaap; iemand door kveða in slaap brengen: Harðar S., Isl. Sögur, 2, 53’ (C15: 36). Deze notities maken met name deel uit van kleinere thema’s, zoals de Immrama (Ierse verhalen over zeereizen met een christelijke moraal), Welshe poëzie, historische taalkunde, Angelsaksisch, topografie, Finn-cyclus, Ulster-cyclus, Welshe taal, Welshe lexicografie, Welshe literatuur, Welshe historie en heldensagen, Picten, sprookjes, Beowulf, en ‘motieven’. Het losse karakter van het archief wordt onderstreept door de aanwezigheid van bijvoorbeeld drie krantenknipseltjes, excerpten van het werk van anderen (zoals van Joseph Vendryes en John Strachan, A29), en toegangsbewijzen en/of aanvraagbriefjes van verschillende bibliotheken, zoals de Reading Room van het British Museum (A30) en de Königliche Bibliothek in Berlijn (A14). De twee meest omvangrijke thema’s in het archief zijn Lebor Gabála, oftewel de Ierse middeleeuwse pseudo-historie van Ierland voor de komst van Patrick, en ‘Engelse 17e eeuwse essays’. Het eerste omvat onder andere het vooronderzoek en kladversies voor zijn publicatie ‘On Lebor Gabála’ in Zeitschrift für celtische Philologie 10 (1914) 97-197, hetgeen destijds baanbrekend was. Het tweede thema omvat al het vooronderzoek en kladversies voor een publicatie over Engelse zeventiende-eeuwse essays. Of dit werk daadwerkelijk gepubliceerd is, hebben wij niet kunnen achterhalen in de beschikbare bibliografieën en biografieën van Van Hamel. De speurtocht werd bemoeilijkt door het ontbreken van de titelpagina. Wellicht moeten we het zien in de context van zijn poging om in 1912 de leerstoel in de Engelse taal- en letterkunde van de Universiteit van Amsterdam te bemachtigen, die onder andere mislukte omdat een gelegenheidspublicatie in slecht Engels zou zijn geschreven. Zijn streven om zes jaar later aan dezelfde universiteit het hoogleraarschap in de Nederlandse taal- en letterkunde te verkrijgen strandde eveneens, nadat zijn publicatie Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorieën over litteratuur in Nederland was bekritiseerd door zijn tegenstanders.

Aantekeningenboekje met IJslands dagboek.

Deze tegenslagen waren waarschijnlijk pijnlijk, maar op de lange duur zetten zij Van Hamel op het pad waar zijn hart lag: de Keltische en Oudnoordse letterkunde. Dit blijkt bijvoorbeeld uit twee notitieboekjes met daarin een reislogboek over Van Hamels reizen door IJsland in 1928 en 1931 (A36, A31), waarin zijn liefde voor het eiland duidelijk tot uitdrukking komt. In het eerste staat het adres van zijn goede vriend, professor Sigurðr Nordal, waarmee hij ook regelmatig correspondeerde. Maar er zijn ook bespiegelingen van persoonlijke aard, zoals het zelfgeschreven gedicht, gedateerd op 9 november 1931, dat als eerste regel heeft: ‘Vergeten heengaan is al wat ik vraag’ (A31: 38).

Aantekeningen, met links het handschrift van Van Hamel, rechts dat van Kuno Meyer.

De vondst van verscheidene autografen van Kuno Meyer was een plezierige verrassing (A18, A26, A32). Dat Van Hamel hulp van de grote Duitse keltoloog had ontvangen bij het schrijven van zijn Lebor Gabála artikel blijkt ook uit het dankwoord aan het begin van die publicatie: ‘I wish to express here my sincere thanks to Professor Meyer not only for the loan of this important MS., but also for many valuable hints and suggestions as well as for the general interest he has taken in my work’. De autografen omvatten inderdaad voornamelijk transcripties van handschriften die Meyer voor Van Hamel heeft gemaakt. Meyer schreef ook een stukje in insulair schrift, en het archief bevat tevens een briefkaart van hem aan Van Hamel.

Er is nog meer correspondentie in het archief, bij toeval achtergelaten zo lijkt het: een briefkaart van de antropoloog J. P. B. Josselin de Jong, van het Rijks Etnologisch Museum in Leiden, met het antwoord op een vraag van Van Hamel over ‘potlatch’ (C17: 8), en een brief van de archeoloog Hendrik Brunsting met een vraag over ‘graffitti op Romeinsch aardewerk uit Hees’ (C13: 47).

Er zijn ook notitieboekjes die insulair schrift bevatten. Het lijkt erop dat deze horen bij Van Hamels lessen in Iers Gaelic. Misschien is het ook gerelateerd aan zijn belofte om een toespraak in Cork in het Iers te houden (A32: 1-3). Daarnaast zijn er ook twee cahiers ‘Gaelic Grammar’, en een bewerking van Alexander Stewarts werk over het Schots Gaelic, waarschijnlijk ook voor eigen gebruik. Boeiend is ook A17 ‘Opgaven ter overweging voor: Dissertaties, Prijsvragen, Eigen Onderzoek…’. Het gaat over Oudgermaans, uit een periode toen Van Hamel nog geen Keltisch doceerde. De onderwerpen zijn gekoppeld aan bepaalde studenten, die misschien nog wel te traceren zijn. Bijvoorbeeld: ‘Gevraagd wordt eene bespreking van Van Heltens behandeling der Gotische woorden in de Anthologia Latina, Beiträge 29, 339 e.v., en van Kluge’s opstelletje over got. Berusjos, Beiträge 36, 224 Doctoraal Mejuffrouw Bock (nov. 1910)’ (A17: add.86),[1] of ‘Gevraagd wordt een onderzoek naar de samenhang tusschen Vafþrúðnismál en Alvíssmál (het onderzoek moet geheel op den inhoud der beiden gedichten gebaseerd worden) Doctoraal Daniëls, juli 1919’ (A17: add.23).

Tevens bevat het archief een kladversie voor een recensie van de toneelstukken Lanseloet en Elkerlijc, die werden opgevoerd op de ‘Zomerspelen’ in Laren (N.H.) in 1907, onder leiding van niemand minder dan Eduard Verkade en Willem Rooyaards (A8). Het lovende commentaar van Van Hamel gaat vooral over het fantastische decor, want met uitzondering van de hoofdrolspeler was er wat betreft de acteurs vooral sprake van ‘het vele hinderlijke van hun spel’ (A8: 13). Ook kritisch was Van Hamel over een editievoorstel van Flannacán mac Cellaich rí Breg hoc carmen, waarvan zich doorslagen van verschillende versies in het archief bevinden (B10). De editie met vertaling en commentaar is in het Engels, maar is geschreven door iemand uit Nederland. In een brief van Van Hamel van 2 juli 1938 wordt deze persoon alleen aangeduid met ‘Amice’, en is te lezen dat hij of zij weer over zee gaat. Van Hamels commentaar is zeer uitgebreid, en het zou interessant zijn om het te vergelijken met de gepubliceerde editie en vertaling van het gedicht door Kathleen Mulchrone, ‘Flannacan mac Cellaich rí Breg hoc carmen’, in Journal of Celtic Studies 1 (1950) 80-93.

Een ander getypt stuk is ‘De Legende van Sint Brandaan en Maelduin’s Zeereis’ (B4), dat in 1943 werd gepubliceerd in Album René Verdeyen. Het heeft als toevoeging ‘Vgl. ook de Inleiding van Dr. A. M. E. Draak bij een door haar bewerkte Brandaan-uitgave, die waarschijnlijk nog in 1943 bij J. M. Meulenhoff, Amsterdam, zal verschijnen’. Het gaat hier om De reis van Sinte Brandaan van Maartje Draak en Bertus Aafjes, die uiteindelijk in 1949 zou worden uitgegeven. Ook de naam Chotzen ontbreekt niet in het archief. In een aantekenboekje vinden we een pagina met als kopje ‘polemiek tegen Chotzen’ (A34: 29) over ‘Lit. dainos’ en vier regels commentaar. Het is typisch voor Van Hamels werkwijze, die veel uiteenlopende ideeën kort noteerde, zowel over kleine details als over belangrijke culturele verschijnselen.

Kortom, dit mini-archief is een avontuurlijk allegaartje, variërend in datering tussen ca. 1905 en 1942, uit allerlei verschillende disciplines, en zowel werk als privé: een mooie dwarsdoorsnede van de persoon Anton Gerard van Hamel.

Voetnoten

  1. Willem Lodewijk van Helten (1849-1917) van de Altostfriesische Grammatik.



ArchiefVH Meyer.jpg
Het Utrechtse archief van Anton Gerard van Hamel
ARWEN VAN ZANTEN en BART JASKI
15-UBU 19A2-3.jpg
Hal-Wyn.jpg
LINUS BAND-DIJKSTRA